Vakbladvoor sociale professionals
en het sociale domein

Huisarts en jeugdzorg verwijzen verschillend door

De zorg die een Groningse jeugdige krijgt, wordt vooral bepaald door de wijze van aanmelding: bij bureau jeugdzorg of bij de huisarts. Dat blijkt uit een onderzoek van het kenniscentrum C4Youth.
Huisarts en jeugdzorg verwijzen verschillend door

Qua ernst van de problematiek zijn er nauwelijks verschillen tussen jeugdigen in de geïndiceerde jeugdzorg en de jeugd-ggz. Jongeren in de jeugdzorg hebben wel meer problemen in hun omgeving. Verder krijgen vele jeugdigen, zo’n 20 procent, elk jaar zorg en is ook de problematiek van jeugdigen in de licht pedagogische hulpverlening vaak relatief ernstig. 


Transitie was aanleiding onderzoek
C4Youth verrichte het onderzoek in opdracht van de Provincie Groningen naar de vraag wie waar in zorg zit, en waarvoor. Aanleiding voor dit onderzoek was de transitie van de jeugdzorg die op 1 januari 2015 gerealiseerd moet zijn; vanaf die datum zijn gemeenten verantwoordelijk voor zorg aan jeugdigen. Belangrijke vragen zijn daarom nu onderzocht: hoeveel Groningse kinderen en jongeren krijgen zorg vanwege gedragsmatige en emotionele problemen, welke zorg krijgen ze, en wat zijn hun problemen? Uit dit onderzoek blijkt dat in één jaar ruim 20 procent van de jeugdigen tot en met 23 jaar in de provincie Groningen zorg krijgt.  

Huisartsen
Huisartsen zien veel jongeren met gedragsmatige en emotionele problemen en verwijzen bijna de helft door. Dat doen ze vrijwel steeds naar de jeugd-ggz en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Minder dan 10 procent van hun verwijzingen gaat richting (lichtere) psychologische zorg. Verwijzingen naar Bureau Jeugdzorg, of in het verlengde hiervan, de geïndiceerde jeugdzorg werden niet aangetroffen. Bureau Jeugdzorg heeft meer kleuren in het verwijspalet: 63 procent gaat naar de geïndiceerde jeugdzorg, 24 procent naar de jeugd-ggz, en 13 procent wordt terug verwezen naar licht pedagogische hulp bij bijvoorbeeld de GGD.
 
Gedragsmatige en emotionele problemen
Uit dit onderzoek blijkt dat jeugdigen in de geïndiceerde jeugdzorg en de jeugd-ggz ongeveer evenveel, en behoorlijk veel, gedragsmatige en emotionele problemen hebben. Jeugdigen die bij de GGD in zorg zijn hebben minder ernstige problemen, maar nog steeds veel meer dan jeugdigen die niet in zorg zijn. Jeugdigen in de geïndiceerde jeugdzorg hebben relatief vaak thuis te maken met armoede, een eenoudergezin, laag opgeleide ouders of een allochtone herkomst; 88 procent heeft minstens één van deze risicokenmerken. Ook bij de licht pedagogische hulpverlening en de jeugd-ggz zijn er echter veel jeugdigen met dergelijke risicokenmerken; 65 procent heeft er minstens één.
 Lees hier het volledige onderzoeksrapport.
 







Naar homepage



Relevante categorieën:

ggz |