Vakbladvoor sociale professionals
en het sociale domein

Gedragsproblemen bij jongeren combinatie van genen en omgeving

Jongeren met een genetische aanleg voor probleemgedrag en ‘overbeschermende' ouders vertonen vaker gedragsproblemen dan jongeren zonder deze combinatie.
Gedragsproblemen bij jongeren combinatie van genen en omgeving

 

Dat is een van de opmerkelijke conclusies uit het proefschrift waarop Rianne Marsman. Ze is hier op 25 maart op ge promoveerd aan de Radboud Universiteit. Marsman ontdekte ook dat meisjes met gedragsproblemen meer stresshormonen (cortisol) hebben dan jongens met gedragsproblemen.  'Probleemgedrag heeft niet één oorzaak, maar is vaak een combinatie van omgevingsfactoren en genetische factoren.'

Externaliserende gedragsproblemen
Vijf tot twintig procent van de jongeren in Nederland heeft ‘externaliserende' (zich naar buiten toe uitende) gedragsproblemen. Ze gedragen zich agressief (vechten), delinquent (opzettelijke vernielingen of diefstal), zijn hyperactief of impulsief (kunnen niet stilzitten). Deze jongeren zijn vaak een probleem voor hun gezin, voor de samenleving, en in mindere mate voor zichzelf. Probleemgedrag heeft vaak verstrekkende gevolgen. 
 
Completer beeld van de oorzaken
Rianne Marsman onderzocht de effecten van verschillende risicofactoren om een completer beeld te krijgen van de oorzaken van deze externaliserende gedragsproblemen bij jongeren. Tijdens de adolescentie - de periode tussen tien en twintig jaar - komen gedragsproblemen in toenemende mate voor. Maar waarom vertoont het ene kind zoveel meer gedragsproblemen dan het andere? En wat zijn de belangrijkste risicofactoren om probleemgedrag te ontwikkelen? Haar conclusie: 'Probleemgedrag heeft meestal niet één oorzaak, maar er zijn vaak meerdere risicofactoren.'
Deze risicofactoren zijn te verdelen in vier domeinen: die van het kind (geslacht, genetische factoren, biologische factoren, risicofactoren tijdens zwangerschap en bevalling), ouders en opvoeding (ruzies tussen de ouders, eenoudergezin, autoritaire opvoeding, gedragsproblemen van de ouders zelf), sociaal-economische status (armoede, werkloosheid van ouder(s), kenmerken van buurt of wijk) en leeftijdsgenoten (afwijzing, ‘foute vrienden'). Vervolgens bekeek ze de samenhang tussen de verschillende factoren.

Gedragsproblemen door ouderlijke ‘overbescherming'
Marsman richtte zich vooral op de interactie tussen omgeving en genen. Zij maakte gebruik van gegevens uit het TRAILS-onderzoek (TRacking Adolescents' Individual Lives Survey), een grootschalige studie waarin ruim tweeduizend adolescenten uit Noord-Nederland worden gevolgd van hun tiende tot vijfentwintigste levensjaar. Ze onderzocht onder meer de combinatie van opvoeding en genetische aanleg in relatie tot externaliserende gedragsproblemen. Van een genetisch risico is sprake bij afwezigheid van het DRD4-4R gen (een ‘beschermend' gen) of bij aanwezigheid van bepaalde variaties van het SLC6A3 gen (een gen dat vaak in verband wordt gebracht met ADHD). Gedragsproblemen bij (een van de) ouders vergroten ook het risico op probleemgedrag bij jongeren. 
 
Marsman deed een opmerkelijke bevinding. 'Als ouders hun kinderen tijdens de puberteit te veel beschermen, dus weinig in aanraking laten komen met hun omgeving, vertonen ze vaker gedragsproblemen. In de puberteit is het gezond dat een kind op zoek gaat naar nieuwe ervaringen. Als ouders overbeschermend zijn, kunnen jongeren niets uitproberen. Hetzelfde zie je bij autoritaire ouders. Hoe strakker je een kind houdt en hoe meer je verbiedt, des te groter de kans dat ze gedragsproblemen ontwikkelen. Bij kinderen met een genetisch risico is die kans bovendien nog groter.'
 
Meer stresshormonen bij meisjes
Verder ontdekte Marsman dat meisjes met gedragsproblemen meer stresshormonen (cortisol) hebben dan jongens met gedragsproblemen.  'Dat is nooit eerder gevonden', zegt ze. 'Dat komt ook doordat klinisch onderzoek meestal wordt gedaan bij jongens. Deze studies beweren vaak dat adolescenten met externaliserende gedragsproblemen lage cortisolniveaus hebben. Daardoor zouden ze meer geneigd zijn om spanning op te zoeken. Maar meisjes met externaliserende gedragsproblemen vormen een bijzondere groep: zij hebben niet alleen hogere cortisolniveaus na het ontwaken, hun stresshormonen stijgen ook harder tijdens het ontwaken dan bij jongens.' Wat dit precies betekent, moet nog verder worden onderzocht.
 
Geslacht bleek al eerder een belangrijke risicofactor, maar dan vooral bij jongens. 'Bij vroege starters, dus kinderen die vóór hun tiende al probleemgedrag vertonen, zijn de verhoudingen 4:1, dus vier jongens op één meisje. Als het probleemgedrag pas in de puberteit begint, is die verhouding 2:1. Jongens vertonen dus meer gedragsproblemen dan meisjes.'
 
‘Warme' opvoeding, minder probleemgedrag
Ook opvoeding blijkt een belangrijke risicofactor. Als kinderen een ‘warme' opvoeding krijgen van de ouders, is de kans op gedragsproblemen kleiner, ontdekte Marsman. 'Ouderlijke warmte gaat samen met lage cortisolniveaus bij jongeren, zowel bij meisjes als jongens. Afwijzing door de ouders lijkt een sterk negatief effect te hebben, maar het effect van overbescherming is iets opvallender. Als ouders zelf ook gedragsproblemen hebben, heeft afwijzing geen effect. Dan is een gezin blijkbaar al zo'n kruitvat van problemen dat het niet meer uitmaakt.' Tussen sociaaleconomische status en gedragsproblemen bestaat ook een verband. 'Hoe lager het sociale milieu, hoe groter de kans op gedragsproblemen.' Complicaties rondom de zwangerschap en de geboorte geven ook een verhoogde kans op latere gedragsproblemen.
Om gedragsproblemen te voorkomen, is het dus van belang om op meerdere risicofactoren te letten. 'Risicofactoren doen zich voor in alle domeinen, maar die zijn niet allemaal te beïnvloeden. Genen verander je niet. Aan opvoeding kun je wel wat doen. Preventie moet zich dus op beïnvloedbare factoren richten.'

Bron: Radboud Universiteit


Naar homepage



Relevante categorieën: