Vakblad voor sociaal professionals
en het sociaal domein

Effectieve interventies: ‘Nu focussen op adequate implementatie’

Het komt nu vooral aan op effectieve implementatie door hulpverleners in de instellingen. Dat was een belangrijke conclusie op het congres Behandelkracht! Over effectieve interventies in justitiële jeugdinstellingen (jji’s) en jeugdzorgplus.


Het congres vond 20 mei plaats in ’t Spant in Bussum en trok ruim honderd belangstellenden.



Klik hier voor het fotoverslag.

Scala aan problemen
Over de effectiviteit van interventies onder jeugdzorgplusjongeren valt nog niet zo veel te zeggen, aldus de eerste spreker, Leonieke Boendermaker, onderzoeker bij het Nederlands jeugdinstituut (NJi). Het eerste onderzoek daarnaar is nog gaande. Uit onderzoek naar “ots-jongeren” in residentiële instellingen blijkt dat zich een scala aan problemen voordoet. ‘De ots-groep jongeren wordt vaak als een onschuldige groep gezien maar uit onderzoek blijkt dat dit niet geheel het geval is’, aldus Boendermaker. Ze plegen minder grote delicten dan justiteel gestrafte jongeren maar kampen met problemen als riskant alcohol- en drugsgebruik en diverse internaliserende stoornissen (zoals depressies, antisociale stoornissen) en bijvoorbeeld suïdicaal gedrag. ‘Dat alles bij elkaar maakt dat medewerkers die in de instellingen werken te maken hebben met een groep jongeren die heel lastig te hanteren is.’

Aanpak
Volgens Boendermaker is inmiddels al veel bekend over welke interventies werken bij jongeren met gedragsproblemen. Het gaat om: (1) cognitieve gedragstherapie, (2) gezinstherapie, (3) multisysteemprogramma.

Website
Boendermaker ( ging onder meer in op effectieve interventies die door het Nederlands jeugdinstituut zijn ondergebracht in de databank /effectieve jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) waar ze naar verwees.

Implementatie
Boendermaker benadrukte het belang van implementatie van de effectieve interventies. Een forgotten issue, stelde ze. ‘Het kost enorm veel om ze goed neer te zetten in de praktijk.’ Ze wees bovendien op het gevaar van een averechts effect: uit Canadees onderzoek blijkt volgens de NJi-onderzoeker dat met de inzet van bewezen effectieve interventies je er nog niet bent. ‘Uit dit onderzoek bleek dat 70 procent niet goed was geïmplementeerd. Het effect was dat de programma’s minder goed werkten.’ Supervisie, training, het monitoren van de interventie – allemaal heel erg nodig, aldus Boendermaker. ‘Elementen die de komende jaren veel aandacht vergen.’

Explosieve stijging
De tweede spreker was Frank Candell, lid van de Raad van bestuur van Rentray, instelling voor jongeren met ernstige gedragsproblemen, en deskundige op het terrein van de beleidskaders voor de opvang en behandeling van jeugd in een gesloten en/of justitioneel kader. Hij schetste de aanloop naar de huidige situatie waarbij justitieel gestrafte jongeren en civielrechtelijke jongeren (ots) niet meer bij elkaar worden geplaatst en de rol van de publieke opinie bij die beleidsverandering. ‘We dachten dat we het goed deden, we hadden moeten zien dat het fout ging.’ Candell hield een optimistisch betoog (‘we zijn bezig om een geweldige slag te slaan en de opvang van jongeren in jji’s en gesloten jeugdzorg naar een hoger plan te tillen’). Maar hij liet ook waarschuwende woorden horen. ‘Er is een explosieve stijging van de vraag naar jeugdzorgplus. Die vraag kunnen we straks kwantitatief niet aan, laat staan dat je een kwalitatief betere opvang en begeleiding aan jongeren biedt.’

Vraag aan de zaal
Candel eindigde met een vraag aan de zaal: op welke termijn ziet u een daadwerkelijke verschuiving van opsluiten naar voorzorg? Een concreet antwoord kreeg hij niet. Wel randvoorwaarden die volgens deelnemers noodzakelijk zijn bij de verwezenlijking van dat streven. ‘Meer middelen.’ Een ander adviseerde: ‘Neem de tijd en zorg voor het managen van verwachtingen. Wees reëel naar de buitenwacht, de publieke opinie, over wat je met evidence based programma’s kunt bereiken’, bepleitte een deelneemster.

’Nederland kampioen opsluiten’
Peter van der Laan, bijzonder hoogleraar Sociaal Pedagogische Hulpverlening aan de Universiteit van Amsterdam en bijzonder hoogleraar Reclassering aan de Vrij Universiteit begon met aan te sluiten op de actualiteit – een nieuwsbericht over leegstand in de inrichtingen. Hij was er blij mee. ‘Ik schaamde me in het buitenland om te moeten beamen dat we in Nederland “kampioen opsluiten van Europa” zijn, zoals Theo Doreleijers heeft geschreven.’ (Doreleijers is hoogleraar aan de Vrije Universiteit). Zie artikel Psy

Van der Laan ging vervolgens dieper in op de rol van de professional bij effectiviteit. Vier factoren liggen er überhaupt aan ten grondslag hield hij de zaal voor; methodiek, organisatie, cliëntfactoren, hulpverleningsfactoren. De hoogleraar stond stil bij de kenmerken van hulpverleners die bijdragen aan effectiviteit. Objectieve niet werkgebonden kenmerken (leeftijd, sekse, etniciteit), objectieve werkgebonden kenmerken (opleiding, ervaring), leveren geen eenduidige resultaten op. ‘Subjectieve en persoongebonden kenmerken (persoonlijkheid, gezag, zelfcontrole, positief zelfbeeld, zelfvertrouwen) ‘zijn de categorie kenmerken die er echt toe doen’, zei Van der Laan, zich baserend op onderzoek van Jack de Swart hierover.

Groepsklimaat
Van der Laan haalde ook recent onderzoek van Peer van der Helm (onderzoeker Hogeschool Leiden) aan waarbij een open groepsklimaat in instellingen een positieve voorwaarde is voor effectiviteit van interventies. ‘Zo’n klimaat biedt ruimte voor experimenteren en geeft jongeren het gevoel begrepen te worden.’

‘Losse eindjes What Works’
Annette van der Poel, gz-psycholoog en werkzaam bij adviesbureau Van Montfoort ging in haar inleiding in op, zoals ze dat noemde ‘losse eindjes’ van What Works (WW) beginselen waarbij de effectiviteit van zorg en behandeling voorop staan. Ze legde drie punten onder de loep. Allereerst bekritiseerde ze het voortdurend benadrukken van risico. ‘Jongeren worden gezien als tijdbom. Wantrouwen is basishouding. Het responsitiviteitsbeginsel (interventie laten aansluiten op de behoeften van de delinquent,red.) voorwaarde voor effectieve inzet van interventie komt daarmee in de knel.’ Een tweede onderbelicht punt volgens Van der Poel bij WW is de sociale context. De focus ligt erg op het individu.’ Ten slotte, zei ze: ‘We weten wat werkt maar niet wanneer waarom en hoe.’ Ook zij leek daarmee het belang van implementatie – aan het begin van de ochtend door Boendermaker bepleit te accentueren.

Meer informatie over de afzonderlijke lezingen:
Leonieke Boendermaker
Frank Candel
Peter van der Laan
Peter Paul Doodkorte
Loek Dijkman
K. Schotel - van der Veer
Maike Kooijmans

Achtergrondliteratuur:
Opvoeding en bescherming achter tralies
De gebrekkige gewetensontwikkeling in het jeugdstrafrecht
Jeugddelinquentie en gewetensontwikkeling
Straffen of behandelen in het jeugdstrafrecht
Misdadigers van morgen
Hoezo volwassen
Jeugdzorg en beleid
Residentiële jeugdzorg in beeld
Het herstelgesprek bij jeugdige delinquenten
Code en karakter
Werk maken van straf
Geweld als uitdaging

Olaf Stomp, mei 2009


Naar homepage