Vakbladvoor sociale professionals
en het sociale domein

Dwanggedrag leidt tot dwanggedachten, en niet andersom

Automatische dwanghandelingen zijn mogelijk de voorbode van dwangstoornissen en dwanggedachten ontstaan uit een behoefte om dit schijnbaar irrationele gedrag te rechtvaardigen.

Dit blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de University of Cambridge. Deze bevindingen gaan in tegen de heersende gedachten dat dwanghandelingen een gevolg zijn van dwanggedachten.

Nieuw inzicht
Een dwangstoornis of obsessieve-compulsieve stoornis wordt gekenmerkt door angstige dwanggedachten (obsessies) en repetitieve, rituele dwanghandelingen (compulsies) die in de weg staan in het dagelijks leven en ernstig lijden veroorzaken. Tot nu toe werd aangenomen dat dwanghandelingen een gevolg zijn van dwanggedachten. Het zich buitensporig wassen door patiënten met smetvrees, werd bijvoorbeeld beschouwd als een doelgerichte actie om de angst voor besmetting te verminderen. De onderzoekers van de UvA en Cambridge zetten nu echter vraagtekens bij deze heersende gedachte. Hun onderzoeksresultaten suggereren dat de relatie andersom is: automatische dwanghandelingen zijn de voorbode van de stoornis, en dwanggedachten ontstaan uit een behoefte om dit schijnbaar irrationele gedrag te rechtvaardigen.

Op de automatische piloot
Het onderzoeksteam onderzocht de neiging om ‘op de automatische piloot’ te gaan bij twintig dwangpatiënten en twintig controle-proefpersonen. In een computertaak leerden de proefpersonen simpele associaties aan tussen stimuli, gedragen en beloningen (die ongerelateerd waren aan de stoornis). In de daaropvolgende, kritische fase van de taak observeerden de onderzoekers dat de dwangpatiënten het nieuw aangeleerde gedrag voortzetten, zelfs wanneer het tot straf (in plaats van beloning) leidde. Het gedrag van de patiënten werd al heel snel een automatische gewoonte waarover zij geen flexibele controle hadden. De ontdekking dat dergelijk gedrag geobserveerd kan worden bij patiënten in het laboratorium, in de afwezigheid van gerelateerde obsessies, suggereert dat automatische dwangbehandelingen het kritische kenmerk vormen van obsessieve-compulsieve stoornissen.

Effectieve behandeling
Het onderzoek verschaft een belangrijk inzicht in de ontwikkeling van dwanggedrag en zou kunnen leiden tot effectievere behandeling en preventieve interventies, aldus de UvA. Een van de meest effectieve bestaande behandelingen is cognitieve gedragstherapie, waarvan exposure en responsepreventie belangrijke onderdelen zijn. Deze therapie richt zich op het verhinderen van de dwanghandeling (bijvoorbeeld excessief handen wassen) om het gedrag te stoppen en patiënten te laten ervaren dat de gevreesde gebeurtenis (bijvoorbeeld besmetting) ook in de afwezigheid van het gedrag niet zal voorkomen. De effectiviteit van deze behandeling sluit aan bij het idee dat dwanghandelingen en niet dwanggedachten, de kritische component zijn van obsessieve-compulsieve stoornissen. Zodra het dwanggedrag kan worden ingetoomd, verdwijnt geleidelijk ook de obsessie, blijkt uit het onderzoek.

Bron: Universiteit van Amsterdam



Naar homepage



Relevante categorieën: