Vakblad voor sociaal professionals
en het sociaal domein

Codes beroepsverenigingen vergeleken

De beroepscodes van de beroepsverenigingen NVO (pedagogen en onderwijskundigen), NIP (psychologen), Phorza (sociaal agogisch werkers) en NVMW (maatschappelijk werkers) zijn met elkaar vergeleken. Dat is gedaan met het oog op de gebruikswaarde in de jeugdzorg.
Aanleiding voor het onderzoek is de vraag of de beroepsethische grondslagen van werkers in de jeugdzorg voldoende worden gewaarborgd door de vier huidige codes. Een commissie hield de vier beroepscodes tegen het licht en stelde zichzelf daarbij twee vragen: * welke verschillen en overeenkomsten zijn er tussen de codes van vier in de jeugdzorg actieve beroepsgroepen ? * kunnen/moeten er consequenties aan die vergelijking verbonden worden ter verbetering van de beroepsethiek van/voor werkers in de jeugdzorg? Zo ja, welke?
Conclusies en aanbevelingen
De onderzoekers concluderen dat de codes op algemeen en abstract beroepsethisch niveau sterke overeenkomst vertonen. Vanwege die ‘basale overeenkomst’ ziet de commissie dan ook geen reden om de codes op één of andere manier samen te voegen. ‘Fundamentele beroepsethische waarden zoals de waarborg van de vertrouwensrelatie tussen professional en cliëntsysteem worden via de diverse codes evenzeer beschermd.’

Specifieker niveau
Op een specifieker niveau zijn er wel relevante verschillen aan te geven tussen de vier beroepscodes. In de naar verhouding langere NIP- en NVO-code wordt volgens de commissie meer recht gedaan aan de complexiteit in cliëntrelaties in de jeugdzorg. (complexe relaties tussen meervoudige professionals enerzijds en een cliëntsysteem waarin ook verschillende partijen (ouders en bijvoorbeeld minderjarige kinderen) in verhouding staan tot elkaar. ‘Bij de ontwikkeling van de Phorza-code is al lering getrokken uit de vergelijking met de NIP- en NVO-code. De NVMW-code heeft naar verhouding het minst oog voor de complexiteit van de professionele relatie in de jeugdzorg, met name wat betreft de cliëntzijde (minderjarigheid, asymmetrische relatie binnen cliëntsysteem. Bij de herziening van de NVMW-code die op dit moment gaande is zal (daarom) expliciet aandacht aan dit punt gegeven worden.’

Aanhangsel
De commissie beveelt de beroepsverenigingen aan een ‘sectorspecifiek aanhangsel bij de uiteenlopende codes te bieden waarin geëxpliciteerd wordt hoe de regels en richtlijnen uit de codes zich verhouden tot het morele landschap van de jeugdzorg’. Op die manier kan het evenwicht gevonden worden tussen enerzijds beroepsgerelateerde ethische codes en anderzijds voldoende aansluiting bij sectorgerelateerde ethische kwesties en complexiteit van het morele landschap. Morele kwaliteit kan daardoor nauw verbonden blijven met beroepsmatige kwaliteit (kennis, vaardigheden, competenties) en tegelijk kunnen de generieke (beroepsspecifieke) codes, op basis van het aanhangsel, adequaat sectorspecifiek toegepast worden. Een pakket van codes en aanhangsel kan zo effectief oriëntatie, motivatie en inspiratie bieden aan psychologen, pedagogen, sociaal-agogen en maatschappelijk werkers die in de jeugdzorg actief zijn.

Redactie (november 2009)


Naar homepage